Netwerk van advocaten
19.05.2014
Sociale dumping wordt zwaarder bestraft (art. 222 DBJ)

Sociale dumping wordt veel harder aangepakt. De wetgever viseert inbreuken op de loonbetalingsplicht die gepleegd worden in samenloop met andere specifieke inbreuken zoals onwettelijke inhoudingen op het loon. Daartoe wordt het Sociaal Strafwetboek aangepast.

 

Sociale dumping

De strijd tegen de frauduleuze detachering van EU-werknemers — de zogenaamde sociale dumping — is een prioriteit van de regering. Inbreuken op de wetgeving en allerlei frauduleuze structuren zorgen er immers voor dat bedrijven uit de markt geprijsd worden en dat gedetacheerde werknemers vaak tewerkgesteld worden in mensonterende omstandigheden. 

In overleg met fraudegevoelige sectoren zoals de transport-, bouw-, vlees-, en schoonmaaksector zijn al heel wat maatregelen genomen, zoals bijvoorbeeld de uitgebreide regeling voor hoofdelijke aansprakelijkheid.
 
De zwaarste inbreuken moeten echter ook operationeel aangepakt worden, en op verschillende fronten tegelijk. Daarbij horen ook zwaardere straffen. Vandaar dat een wet houdende diverse bepalingen betreffende Justitie nu artikel 162 van het Sociaal Strafwetboek bijwerkt. Het gaat hier om de uitbetaling van het loon en het vakantiegeld, en het laten terugbetalen van aanvullende bijdragen door het personeel. 
Zwaardere straffen
De wetgever herneemt zonder wijzigingen het bestaande eerste lid van artikel 162 van het Sociaal Strafwetboek. Maar het minimum en het maximum van de strafrechtelijke of de administratieve geldboete van de sanctie van niveau 2 worden voortaan vermenigvuldigd met 12. Daardoor bekomt men dezelfde bedragen als de geldboeten van de sanctie van niveau 4, zonder dat er voor deze inbreuken een gevangenisstraf wordt ingesteld. De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
 
Inbreuken van niveau 2 worden bestraft met een strafrechtelijke geldboete van 50 tot 500 euro en een administratieve geldboete van 25 tot 250 euro (met 6 te vermenigvuldigen voor de opdeciemen). Inbreuken van niveau 4 worden bestraft met een gevangenisstraf van 6 maanden tot 3 jaar, strafrechtelijke geldboeten van 600 tot 6.000 euro en administratieve geldboeten van 300 tot 3.000 euro. 
2 voorwaarden

Deze verzwarende omstandigheid is gekoppeld aan 2 voorwaarden:

het in de betrokken sector toepasselijk minimumloon wordt niet uitbetaald aan de werknemer of wordt niet uitbetaald op de datum dat het loon invorderbaar is; en
er is een samenloop met 2 of meerdere andere specifieke inbreuken. 

Bij deeltijdse arbeid kijkt men naar het gedeelte van het minimumloon dat in verhouding verschuldigd is. Voor de inbreuken gaat het om 2 of meerdere inbreuken op:

artikel 138 (de dag- en de weekgrens van de arbeidstijd);
artikel 140 (minimale arbeidsduur);
artikel 141 (wekelijks rust);
artikel 142 (feestdagen);
artikel 156 (werkverbod op rustdagen in de bouwsector);
artikel 157 (dagelijks en wekelijks werverbod in de bouwsector);
artikel 163 (inhoudingen op het werknemersloon);
artikel 165 (verplaatsingsonkosten);
artikel 166 (maaltijdcheques);
artikel 167 (voordelen ter aanvulling van het loon);
artikel 169 (aanvullende sociale zekerheidsvoordelen). 
In werking
Dit onderdeel van de verzamelwet van 25 april 2014 treedt in werking 24 mei 2014. Dat is 10 dagen na publicatie in het Staatsblad.
 
Bron:Wet van 25 april 2014 houdende diverse bepalingen betreffende Justitie, BS 14 mei 2014 (art. 222 DBJ)